Gezonde voedingsmiddelen met hond en kat op veilige afstand

Waarom we blijven eten: wat junkfood doet met de hersenen van mens én dier

We denken vaak dat eten heel eenvoudig werkt. Je krijgt honger, je eet, je raakt verzadigd en vervolgens stop je. Ons lichaam beschikt tenslotte over een prachtig systeem dat voortdurend registreert hoeveel energie we nodig hebben en wanneer we voldoende hebben gegeten. Maar wat gebeurt er wanneer we voedsel gaan eten dat niet alleen voedzaam is, maar speciaal aantrekkelijk, energierijk en belonend is gemaakt? Dan wordt het verhaal een stuk ingewikkelder.

Onderzoekers ontdekten dat al bij ratten. In verschillende experimenten kregen ratten naast hun gewone voeding toegang tot een zogenoemd cafeteria-dieet: een assortiment zeer smakelijke, energierijke voedingsmiddelen die rijk waren aan vet en suiker. De dieren gingen daardoor niet alleen meer calorieën eten, maar veranderden ook hun eetgedrag. Ze aten grotere hoeveelheden, gingen vaker eten en kwamen aanzienlijk aan in gewicht. In sommige onderzoeken namen de dieren ongeveer twee keer zoveel energie op als ratten die alleen standaardvoer kregen.

Maar het meest interessante aan deze experimenten was misschien niet hoeveel de ratten aten. Het was wat er ondertussen in hun hersenen gebeurde.

Honger is niet hetzelfde als trek

Om dat te begrijpen moeten we onderscheid maken tussen honger en beloning. Honger ontstaat wanneer het lichaam energie nodig heeft. Trek kan echter ook ontstaan wanneer je lichaam helemaal geen energie tekortkomt. Je hebt net gegeten en zit eigenlijk vol, maar dan ruik je versgebakken brood, zie je chocolade of komt er een zak chips op tafel. Plotseling wil je toch iets eten.

Dat is geen klassieke lichamelijke honger. Je hersenen reageren op de aantrekkelijkheid en de beloningswaarde van het voedsel.

Daarbij speelt het striatum een belangrijke rol. Dit hersengebied, waartoe onder andere de nucleus accumbens behoort, is betrokken bij motivatie, beloning, gewoontevorming en het leren welke prikkels belangrijk zijn. Dopamine speelt hierbij een belangrijke rol.

En juist in dit systeem zagen onderzoekers veranderingen bij dieren die langdurig toegang hadden tot zeer smakelijk, energierijk voedsel.

Een bekende studie van Johnson en Kenny uit 2010 liet bij obese ratten veranderingen zien in het dopaminesysteem van het striatum. De dieren vertoonden steeds sterker compulsief-achtig eetgedrag en bleven zeer smakelijk voedsel zoeken en eten ondanks een onaangename prikkel. Tegelijkertijd vonden de onderzoekers een afname van dopamine-D2-receptoren in het striatum. Dat betekent niet dat junkfood letterlijk hetzelfde werkt als drugs, maar het onderzoek laat wel zien dat langdurige blootstelling aan zeer belonend voedsel samen kan gaan met veranderingen in het beloningssysteem van de hersenen.

En daarmee wordt het verhaal veel interessanter dan simpelweg: je eet te veel calorieën en wordt daardoor dik.

Het voedsel kan namelijk ook invloed hebben op de manier waarop de hersenen voedsel beoordelen.

Wanneer verzadiging niet meer het enige signaal is

Normaal gesproken krijgt je brein na een maaltijd allerlei signalen dat er voldoende voedsel binnen is. De maag is gevuld, hormonen geven informatie door en de beschikbaarheid van energie verandert. Tegelijkertijd neemt de aantrekkelijkheid van verder eten normaal gesproken af.

Maar zeer smakelijk voedsel kan daar een extra laag bovenop leggen.

Je lichaam kan zeggen: ik heb genoeg.

Terwijl je beloningssysteem zegt: maar dit is lekker, ik wil nog meer.

Dat verschil kennen veel mensen uit hun dagelijks leven.

Je hebt een uitgebreide maaltijd gegeten en bent eigenlijk verzadigd. Vervolgens komt er een dessert. Je hebt geen lichamelijke honger meer, maar je hebt wel zin in dat dessert. Hetzelfde gebeurt met chips, chocolade, koekjes of andere producten die een sterke combinatie van zoet, vet, zout, aroma en textuur bevatten.

Daarom is het te eenvoudig om over overeten uitsluitend te spreken als een gebrek aan wilskracht.

Onze voedselomgeving speelt mee. Onze gewoontes spelen mee. Onze hersenen spelen mee. En het voedsel zelf speelt mee.

Van rat naar mens

Natuurlijk zijn ratten geen mensen. We kunnen niet zomaar zeggen dat ieder effect dat bij een rat wordt gevonden precies hetzelfde gebeurt bij een mens. Maar dieronderzoek kan ons wel belangrijke biologische mechanismen laten zien.

En bij mensen zien we een vergelijkbaar interessant verschijnsel: sterk bewerkte voedingsmiddelen kunnen zo worden samengesteld dat ze gemakkelijk, snel en zeer aantrekkelijk te eten zijn. Ze leveren vaak veel energie in een relatief kleine hoeveelheid en vragen weinig kauwen of vertering in vergelijking met veel onbewerkte voedingsmiddelen.

Daar komt nog iets bij: we worden er voortdurend aan herinnerd.

Reclame, verpakkingen, aanbiedingen, bezorgapps, tankstations, automaten en sociale media maken eten voortdurend zichtbaar. We hoeven niet meer te wachten tot we honger hebben om voedsel tegen te komen. Het voedsel komt naar ons toe.

En dat is een enorme verandering ten opzichte van de omgeving waarin onze eetlust oorspronkelijk is geëvolueerd.

Het probleem is dus niet alleen suiker of vet

We praten vaak over één boosdoener. Suiker is slecht. Vet is slecht. Koolhydraten zijn slecht. Maar zo eenvoudig is het niet.

Het gaat veel meer om de combinatie van eigenschappen van een voedingsmiddel. Hoe energierijk is het? Hoe snel kunnen we het eten? Hoe sterk activeert het de beloning? Hoeveel moeite kost het om eraan te komen? Hoe verzadigend is het? En hoe gemakkelijk is het om er steeds opnieuw van te eten?

Een appel en een koekje kunnen bijvoorbeeld allebei energie leveren, maar ze gedragen zich totaal anders in onze eetomgeving. Een appel vraagt kauwen, bevat veel water en vezels en heeft een relatief lage energiedichtheid. Een koekje kan daarentegen klein zijn, gemakkelijk weg te eten en tegelijkertijd een sterke combinatie van vet, suiker, aroma en textuur bevatten.

Dat verschil is belangrijk.

En dan komen we bij onze honden

Want dit verhaal gaat niet alleen over mensen.

Ook onze honden leven tegenwoordig in een voedselomgeving die wij voor hen hebben gecreëerd. Wij bepalen wat er in de voerbak komt, welke snacks er worden gegeven en hoeveel tussendoortjes een hond gedurende de dag krijgt.

Een hond kan natuurlijk honger hebben. Maar een hond kan ook iets willen omdat het lekker en belonend is.

Dat is een belangrijk onderscheid.

Wanneer een hond na zijn maaltijd naar de keuken loopt omdat hij weet dat daar koekjes liggen, betekent dat niet automatisch dat hij nog voedingsstoffen of energie nodig heeft. Hij kan eenvoudigweg geleerd hebben dat de keuken, het geluid van een verpakking of het gedrag van zijn eigenaar gevolgd wordt door iets lekkers.

En wanneer we dat gedrag iedere keer belonen, wordt de verwachting sterker.

Dat betekent niet dat we onze honden nooit iets lekkers mogen geven. Voeding is ook plezier en kan een prachtige manier zijn om gedrag te ondersteunen. Maar het is goed om ons af te vragen of we werkelijk een behoefte vervullen of vooral een verlangen versterken.

Een hond die alles lekker vindt, hoeft niet alles te krijgen

Dat is misschien een ongemakkelijke gedachte.

Wij vinden het vaak leuk wanneer onze hond enthousiast wordt van eten. Een hond die staat te springen voor zijn voer lijkt gelukkig. En natuurlijk is eetlust op zichzelf helemaal niet verkeerd.

Maar lekker vinden is geen voedingsadvies.

Een hond kan dol zijn op kaas, worst, brood, koekjes of andere calorierijke snacks. Dat betekent niet dat zijn lichaam ze nodig heeft.

Sterker nog, wanneer een hond voortdurend zeer smakelijke extra’s krijgt, kan zijn normale voeding steeds minder interessant lijken.

Dan zeggen we: “Hij lust zijn brokken niet meer.”

Maar misschien heeft hij ondertussen gewoon ontdekt dat er iets veel interessanters kan komen als hij zijn neus ophaalt.

En bij katten?

Bij katten is het verhaal opnieuw anders, omdat katten een andere voedingsfysiologie hebben en obligate carnivoren zijn. We kunnen daarom niet simpelweg menselijke voedingsprincipes kopiëren naar katten.

Ook bij katten spelen geur, smaak, textuur, ervaring en voedselvoorkeur een grote rol. Een kat kan sterk gehecht raken aan een bepaalde voeding en een andere voeding weigeren, zelfs wanneer die andere voeding voedingskundig prima geschikt is.

Ook daar moeten we daarom onderscheid maken tussen wat een dier graag eet en wat het dier daadwerkelijk nodig heeft.

Dat is een verschil dat we als eigenaar soms vergeten.

Voeding is meer dan calorieën

Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste boodschap van dit hele verhaal.

Voeding is niet alleen een hoeveelheid calorieën die ons lichaam binnenkomt. Voeding beïnvloedt ook hormonen, verzadigingssignalen, gedrag, beloning en mogelijk de manier waarop bepaalde hersencircuits functioneren.

Bij dieren geldt hetzelfde principe, al kunnen we niet zomaar aannemen dat de mechanismen bij ratten, mensen, honden en katten identiek zijn.

Daarom is het zo belangrijk om voorzichtig te zijn met populaire uitspraken als “junkfood maakt je verslaafd” of “je hond is verslaafd aan brokken”. De wetenschap is genuanceerder.

Wat we wél kunnen zeggen, is dat zeer smakelijk, energierijk voedsel het beloningssysteem sterk kan aanspreken en dat langdurige blootstelling in dieronderzoek gepaard gaat met veranderingen in voedselgedrag en bepaalde hersenprocessen.

Misschien moeten we daarom een andere vraag stellen

We vragen ons vaak af: “Wat vindt mijn hond lekker?”

Of: “Waar heb ik zin in?”

Maar misschien zouden we vaker moeten vragen: “Wat heeft mijn lichaam nodig?”

En bij onze dieren: “Wat heeft mijn hond of kat nodig om gezond te blijven?”

Want een dier verwennen betekent niet noodzakelijk dat je het alles geeft waar het om vraagt.

En voor mensen geldt eigenlijk hetzelfde.

Soms is de meest liefdevolle keuze niet datgene geven waar het beloningssysteem op dat moment het hardst om vraagt, maar kiezen voor wat het lichaam werkelijk nodig heeft.

Misschien moeten we dus opnieuw leren luisteren naar het verschil tussen honger, behoefte, verzadiging en verlangen.

Want hoe meer voedsel we maken dat ons brein vertelt “nog eentje” terwijl ons lichaam eigenlijk al zegt “genoeg”, hoe belangrijker het wordt om dat verschil te herkennen.

Niet alles wat we graag eten, hebben we nodig. En niet alles wat een hond of kat graag eet, is daarom de beste voeding voor dat dier.

Dat is misschien wel de belangrijkste les die we uit de rattenstudies kunnen meenemen naar onze eigen keuken én naar de voerbak van onze dieren.

Scroll naar boven