Zuurdesembrood op tafel met een hond die ernaar kijkt

Brood: wat doet het met mineralen, je gewicht en je hond?

Zuurdesembrood op tafel met een hond die ernaar kijkt

Brood is voor veel mensen een dagelijkse gewoonte. Zeker volkorenbrood wordt vaak gezien als een gezonde keuze: het bevat vezels, B-vitamines en mineralen en kan prima passen binnen een gevarieerd voedingspatroon.

Toch zijn er een aantal aspecten van brood waar we minder vaak bij stilstaan. Denk aan fytinezuur, de opname van mineralen, verzadiging, calorieën en de manier waarop brood wordt bereid.

En wanneer we diezelfde vraag bij honden stellen, wordt het verhaal nog interessanter.

Fytinezuur en de opname van mineralen

Fytinezuur komt van nature voor in granen, zaden, noten en peulvruchten. Planten gebruiken het onder andere als opslagvorm van fosfor.

In onze voeding kan fytinezuur zich echter binden aan mineralen zoals ijzer, zink, magnesium en calcium. Daardoor kunnen deze mineralen minder goed beschikbaar zijn voor opname in de darm.

Dat betekent niet dat fytinezuur “slecht” is of dat volkorenproducten ongezond zijn. Fytinezuur heeft ook positieve eigenschappen en maakt gewoon deel uit van veel plantaardige voedingsmiddelen.

Het gaat vooral om de balans. Wanneer iemand veel fytinerijke producten eet en tegelijkertijd weinig mineralen binnenkrijgt, kan de verminderde beschikbaarheid relevanter worden.

Niet elk brood is hetzelfde

De hoeveelheid fytinezuur en de beschikbaarheid van mineralen verschillen per broodsoort én per bereidingswijze.

Volkorenmeel bevat meer van de oorspronkelijke graankorrel en daardoor doorgaans ook meer fytinezuur dan geraffineerd wit meel. Maar dat betekent niet dat wit brood daarom de gezondere keuze is.

De manier waarop het brood wordt gemaakt, speelt namelijk een grote rol.

Bij lange fermentatie en zuurdesem krijgen enzymen, waaronder fytase, meer tijd om fytinezuur af te breken. Een traditioneel, lang gerezen zuurdesembrood kan daardoor een gunstiger effect hebben op de beschikbaarheid van mineralen dan een brood dat snel wordt geproduceerd.

Ook een brood met veel zaden en pitten is niet automatisch beter. Pompoenpitten, zonnebloempitten en andere zaden zijn voedzaam, maar bevatten eveneens fytinezuur.

De juiste conclusie is daarom niet: volkorenbrood is slecht.

De betere conclusie is:

De soort granen, de ingrediënten én de manier waarop een brood wordt bereid, bepalen mee hoe voedzaam en verzadigend het uiteindelijk is.

Waarom kan brood bijdragen aan gewichtstoename?

Brood maakt je niet rechtstreeks dik. Een langdurig calorie-overschot zorgt voor gewichtstoename.

Toch kan brood bij sommige mensen gemakkelijk bijdragen aan zo’n overschot.

We eten brood namelijk vaak meerdere keren per dag. Een paar boterhammen bij het ontbijt, opnieuw bij de lunch en misschien nog een boterham tussendoor kunnen samen behoorlijk wat energie leveren.

Daarnaast is brood gemakkelijk te eten. Een broodmaaltijd bevat niet automatisch voldoende eiwitten, gezonde vetten en vezels om langdurig verzadigd te blijven. Vooral een maaltijd met veel wit brood kan daardoor minder lang vullen.

Daar komt het beleg nog bij. Kaas, boter, notenpasta, chocoladepasta en andere calorierijke toppings kunnen de totale energie van een broodmaaltijd flink verhogen.

Ook hier is nuance belangrijk. Volkorenbrood is niet hetzelfde als wit brood. Volkoren bevat meer vezels en geeft doorgaans meer verzadiging. Een goede zuurdesem kan eveneens anders worden verteerd dan een snel geproduceerd wit brood.

Het gaat dus niet om “brood = dik”.

Het gaat om de vraag hoeveel je ervan eet, welk brood je kiest, wat erop zit en hoe het past binnen je totale voedingspatroon.

En de bloedsuiker?

Ook dit verschilt per brood.

Wit brood wordt relatief snel verteerd en kan daardoor de bloedsuikerspiegel sneller laten stijgen. Volkorenbrood en brood met meer vezels worden doorgaans trager verteerd.

Maar ook hier zijn er meerdere factoren: de graansoort, de maling, de fermentatie, de hoeveelheid vezels en wat je samen met het brood eet.

Een boterham met alleen brood is bijvoorbeeld iets anders dan een maaltijd waarin brood wordt gecombineerd met een goede eiwitbron, vetten en groenten.

Daarom is het te simpel om alleen naar één voedingsmiddel of één getal te kijken.

En wat betekent dit voor honden?

Hier wordt het interessant.

Een hond heeft geen brood nodig.

De basis van een goede hondenvoeding hoort te bestaan uit een voeding die aansluit bij de specifieke voedingsbehoeften van de hond en voldoende essentiële eiwitten, vetten, vitaminen en mineralen levert.

Brood kan een hond prima lekker vinden, maar lekker betekent niet automatisch noodzakelijk.

Een klein stukje gebakken brood als incidentele traktatie hoeft bij een gezonde hond meestal geen probleem te zijn. Maar brood als dagelijkse aanvulling heeft weinig toegevoegde voedingswaarde wanneer de hond al een complete en uitgebalanceerde voeding krijgt.

En bij honden speelt het calorieverhaal nog sterker.

Een hond weegt vaak maar een fractie van een mens. Daardoor kan een hoeveelheid die voor ons “maar een hapje” lijkt, voor een kleine hond relatief veel extra energie betekenen.

Een klein stukje brood bovenop de normale voeding is dus niet altijd zo onschuldig als het lijkt wanneer het iedere dag gebeurt.

Het probleem zit vaak in de extra’s

Bij honden kijken we vaak naar de hoofdmaaltijd, maar vergeten we wat er daarnaast allemaal wordt gegeven.

  • Een stukje brood
  • Een korstje
  • Een koekje
  • Een stukje kaas
  • Een hapje van de boterham
  • Een snack tijdens de training

Allemaal afzonderlijk misschien onbeduidend. Maar samen kunnen deze extra’s een behoorlijk deel van de dagelijkse energie leveren.

Zeker bij kleine honden kan dat snel oplopen.

Daarom is het belangrijk om niet alleen te kijken naar wat de hond eet tijdens zijn maaltijd, maar naar alles wat hij gedurende de dag binnenkrijgt.

En hoe zit het met gluten?

Ook daar is nuance belangrijk.

Het is niet nodig om te zeggen dat brood voor iedere hond slecht is omdat het gluten bevat. De meeste honden hebben geen probleem met gluten.

Er bestaan wel honden met specifieke voedingsgevoeligheden of aandoeningen waarbij bepaalde ingrediënten moeten worden vermeden. Maar dat is iets anders dan de algemene bewering dat iedere hond glutenvrij zou moeten eten.

Het sterkste argument tegen brood als vast onderdeel van de hondenvoeding is dan ook niet simpelweg “gluten”.

Het gaat vooral om de vraag:

Wat draagt brood daadwerkelijk bij aan de voeding van mijn hond?

En als het antwoord vooral “extra calorieën” is, kun je je afvragen waarom je het dagelijks zou geven.

Een belangrijke uitzondering: rauw brooddeeg

Er is één situatie waarin we veel duidelijker moeten zijn.

Rauw gistdeeg hoort absoluut niet bij een hond terecht te komen.

Gistdeeg kan in de maag verder rijzen. Tijdens dat proces kan bovendien alcohol ontstaan. Dat kan voor een hond gevaarlijk zijn.

Een stukje gebakken brood is dus iets totaal anders dan rauw brooddeeg.

Als een hond rauw gistdeeg heeft gegeten, is het verstandig om direct contact op te nemen met een dierenarts.

Maar mijn hond eet zo graag brood…

Dat klopt waarschijnlijk.

Honden kunnen brood heerlijk vinden, net zoals ze kaas, koekjes en andere calorierijke voedingsmiddelen aantrekkelijk vinden.

Maar er is een belangrijk verschil tussen:

“Mijn hond vindt dit lekker.”

en

“Mijn hond heeft dit nodig.”

Die twee worden in de hondenwereld nogal eens door elkaar gehaald.

Een hond hoeft niet alles wat hij lekker vindt ook dagelijks te krijgen.

Dus: geen brood voor honden?

Ik zou het niet zo zwart-wit formuleren.

Een gezond volwassen hond die af en toe een klein stukje gebakken brood krijgt, hoeft daar niet meteen problemen door te krijgen.

Maar brood is geen noodzakelijke toevoeging aan het dieet van een hond. Zeker wanneer een hond al een complete voeding krijgt, kun je je afvragen of dagelijkse broodrestjes, korstjes en boterhammen daadwerkelijk iets toevoegen.

Voor mensen ligt het genuanceerder. Goed bereid volkoren- of zuurdesembrood kan zeker onderdeel zijn van een gezond voedingspatroon.

Het gaat dus niet om een simpele tegenstelling tussen “goed” en “slecht”.

Het gaat om kwaliteit, bereiding, hoeveelheid, totale voeding en individuele behoefte.

En misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste vraag die we onszelf én bij onze honden kunnen stellen:

Niet: “Kan ik dit eten?”

Maar:

“Wat levert dit mij of mijn hond daadwerkelijk op, en past het binnen wat we werkelijk nodig hebben?”

Want goede voeding gaat niet alleen over wat je kúnt eten.

Het gaat over wat je lichaam daadwerkelijk nodig heeft.

Scroll naar boven