Dierenarts die de gezondheid van een hond zorgvuldig onderzoekt

Voeding als kankerpreventie – orthomoleculair bekeken

Kanker ontstaat niet van de ene dag op de andere.

In ons lichaam vinden voortdurend processen plaats waarbij cellen worden aangemaakt, vernieuwd, beschadigd en opgeruimd. DNA wordt dagelijks blootgesteld aan allerlei vormen van belasting en ons lichaam beschikt over uitgebreide systemen om schade te herstellen.

Vanuit een orthomoleculaire benadering kijken we daarom niet alleen naar de vraag welk voedingsmiddel kanker voorkomt, maar vooral naar de vraag:

Hoe kunnen we het lichaam optimaal ondersteunen bij bescherming, herstel, ontgifting, afweer en het behoud van gezonde cellen?

Voeding is daarbij geen behandeling voor kanker en kan kanker nooit volledig voorkomen. Genetica, leeftijd, omgeving, hormonen, leefstijl en toeval spelen allemaal een rol.

Maar we kunnen wél proberen de omstandigheden waarin ons lichaam functioneert zo gunstig mogelijk te maken.

En dat geldt niet alleen voor mensen.

Ook bij onze honden en katten begint gezondheid bij de basis: voeding, lichaamsconditie, beweging, darmgezondheid en voldoende voedingsstoffen.

1. Bescherm de cel tegen oxidatieve stress

Elke cel produceert voortdurend vrije radicalen. Dat is op zichzelf normaal. Ons lichaam heeft ze zelfs nodig voor bepaalde processen.

Het probleem ontstaat wanneer de hoeveelheid oxidatieve belasting groter wordt dan het vermogen van het lichaam om hiermee om te gaan.

Daarom zijn antioxidatieve voedingsstoffen en plantaardige bioactieve stoffen interessant.

Denk aan:

– vitamine C
– vitamine E
– selenium
– zink
– carotenoïden
– polyfenolen
– flavonoïden
– anthocyanen

Deze stoffen komen onder andere voor in groenten, fruit, kruiden, noten, zaden en bepaalde vis- en plantaardige voedingsmiddelen.

Maar ook hier geldt: meer is niet automatisch beter.

Het lichaam heeft een netwerk van antioxidatieve systemen. Het doel is dus niet om enorme hoeveelheden antioxidanten uit supplementen binnen te krijgen, maar om het lichaam voldoende grondstoffen te geven om zijn eigen beschermingssystemen goed te laten functioneren.

Dat sluit ook aan bij de huidige kankerpreventierichtlijnen: voedingsstoffen bij voorkeur uit voeding halen in plaats van hoge doseringen supplementen te gebruiken als kankerpreventie.

2. Glutathion: één van de belangrijkste beschermingssystemen

Een stof die binnen de orthomoleculaire wereld veel aandacht krijgt, is glutathion.

Glutathion is een lichaamseigen antioxidant en speelt onder andere een rol bij bescherming tegen oxidatieve stress en bij processen in de lever.

Het lichaam maakt glutathion zelf uit aminozuren. Daarvoor zijn onder andere cysteïne, glycine en glutamaat nodig.

Daarom begint een goede antioxidantstatus niet bij een potje antioxidanten.

Het begint bij voldoende eiwitten en essentiële voedingsstoffen.

Dat is een mooi voorbeeld van hoe het lichaam werkt als een systeem: een tekort aan één bouwsteen kan uiteindelijk invloed hebben op verschillende processen.

3. Ontsteking: een belangrijk aandachtspunt

Een tweede interessant gebied is chronische laaggradige ontsteking.

Een acute ontstekingsreactie is nuttig. Ze helpt het lichaam bijvoorbeeld bij het bestrijden van een infectie of het herstellen van beschadigd weefsel.

Maar langdurige, laaggradige ontstekingsactiviteit is iets anders.

Overgewicht, weinig beweging, metabole ontregeling en een voedingspatroon met veel sterk bewerkte voedingsmiddelen kunnen bijdragen aan een ongunstige metabole omgeving.

Daarom is kankerpreventie niet alleen een verhaal over antioxidanten.

Het gaat ook over:

een gezonde stofwisseling, voldoende beweging en een gezond lichaamsgewicht.

Het WCRF beschouwt gezond lichaamsgewicht en lichamelijke activiteit als belangrijke onderdelen van kankerpreventie. Beweging beïnvloedt onder meer stofwisseling, ontstekingsprocessen en insulinegevoeligheid.

4. Insuline en metabole gezondheid

Ook de bloedsuiker- en insulinehuishouding verdienen aandacht.

Een voedingspatroon met veel geraffineerde koolhydraten, suikerhoudende dranken en sterk bewerkte voeding kan bij overmatige inname bijdragen aan een ongunstige metabole situatie.

Dat betekent niet dat iedere koolhydraat een probleem is.

Een stuk fruit, havermout, peulvruchten en een koekje zijn metabolisch gezien niet hetzelfde.

Het gaat opnieuw om het hele voedingspatroon.

Vezelrijke, weinig bewerkte voedingsmiddelen passen veel beter in een voedingspatroon dat gericht is op een stabiele stofwisseling dan een dieet dat voornamelijk bestaat uit suiker, frisdrank, snoep, witmeelproducten en sterk bewerkte snacks.

5. De darm als onderdeel van het geheel

Steeds meer aandacht gaat naar de darmmicrobiota.

Onze darmbacteriën staan voortdurend in contact met wat we eten. Vezels uit groenten, fruit, peulvruchten en volkorenproducten kunnen door darmbacteriën worden gefermenteerd waarbij onder andere korteketenvetzuren ontstaan.

Daarom is darmgezondheid interessant wanneer we naar preventie kijken.

Niet omdat een “goede darmflora” automatisch kanker voorkomt, maar omdat de darm een belangrijk onderdeel is van onze stofwisseling en afweer.

Ook hier is variatie belangrijk.

Een dieet dat iedere dag uit precies dezelfde paar voedingsmiddelen bestaat, biedt een heel andere voedingsomgeving dan een voedingspatroon met veel verschillende plantaardige voedingsmiddelen.

6. Kleur op je bord

Vanuit orthomoleculair perspectief is het interessant om niet alleen naar calorieën en macronutriënten te kijken, maar ook naar de micronutriënten en fytonutriënten die verschillende voedingsmiddelen leveren.

Daarom is kleur zo waardevol.

Rood:

tomaat, paprika, bessen.

Oranje:

wortel, pompoen, zoete aardappel.

Groen:

broccoli, spinazie, boerenkool, kruiden.

Paars/blauw:

blauwe bessen, bramen, rode kool.

Wit:

knoflook, ui, bloemkool.

Iedere groep bevat weer andere bioactieve stoffen.

Je hoeft dus geen “superfood” te eten.

Veel verschillende gewone voedingsmiddelen samen kunnen veel interessanter zijn dan één exotisch wondermiddel.

7. Kruiden en specerijen

Ook kruiden en specerijen zijn interessant omdat ze geconcentreerde hoeveelheden plantaardige bioactieve stoffen kunnen bevatten.

Kurkuma, gember, knoflook, oregano, rozemarijn, kaneel en groene thee worden bijvoorbeeld veel onderzocht vanwege hun antioxidatieve en ontstekingsmodulerende eigenschappen.

Maar hier is een belangrijke waarschuwing nodig.

Een stof die in een laboratorium een bepaald effect op kankercellen laat zien, betekent niet automatisch dat het eten van die plant kanker bij mensen voorkomt.

Laboratoriumonderzoek is geen bewijs voor kankerpreventie bij de mens.

Daarom mogen we kruiden zien als waardevolle onderdelen van een gevarieerd voedingspatroon, maar niet als geneesmiddelen tegen kanker.

8. Omega-3 en de vetzuurbalans

Ook vetzuren zijn vanuit een orthomoleculair perspectief interessant.

Omega-3-vetzuren, zoals EPA en DHA uit vette vis, spelen onder andere een rol bij celmembranen en ontstekingsprocessen.

Dat betekent niet dat je simpelweg zo veel mogelijk omega-3-supplementen moet nemen.

De kwaliteit van het totale vetzuurpatroon en de voedingsbron zijn belangrijk.

Bij dieren is dit eveneens interessant, maar dosering en behoefte zijn afhankelijk van soort, gewicht, leeftijd, voeding en gezondheidstoestand.

Wat voor een mens een passende hoeveelheid is, is absoluut niet automatisch geschikt voor een hond of kat.

9. Mineralen: klein, maar essentieel

Een orthomoleculaire benadering kijkt ook sterk naar mineralen.

Zink, selenium, magnesium, ijzer, koper en andere mineralen zijn betrokken bij talloze enzymatische processen.

Een tekort kan de normale werking van het lichaam verstoren.

Maar ook hier geldt:

een tekort aanvullen is iets anders dan extreem hoge doseringen geven.

Meer is niet automatisch gezonder.

Het lichaam werkt met optimale concentraties en heeft voor veel micronutriënten een vrij nauwe balans.

10. En dan komen we bij brood

Hier sluit het mooi aan bij ons eerdere verhaal.

Granen en zaden bevatten fytinezuur. Dat kan de beschikbaarheid van onder andere ijzer, zink, magnesium en calcium beïnvloeden.

Dat betekent niet dat brood “kanker veroorzaakt”.

Maar vanuit een orthomoleculaire benadering kun je wél kijken naar de voedingswaarde van het totale voedingspatroon.

Als een groot deel van je dagelijkse voeding bestaat uit sterk bewerkte graanproducten, suiker en andere calorierijke voedingsmiddelen, blijft er minder ruimte over voor voedingsmiddelen die veel micronutriënten en bioactieve stoffen leveren.

Daarom gaat het uiteindelijk niet om:

“Mag ik brood eten?”

maar om:

“Wat vormt de basis van mijn voeding?”

11. En wat betekent dit voor honden?

Bij honden moeten we extra voorzichtig zijn met het overnemen van menselijke orthomoleculaire theorieën.

Een hond is geen kleine mens.

Zijn stofwisseling, voedingsbehoeften en tolerantie voor bepaalde voedingsstoffen zijn anders.

We kunnen dus niet zomaar zeggen:

“Dit is goed tegen kanker bij mensen, dus geef het aan je hond.”

Wat we wél kunnen doen, is de basis optimaliseren.

Een hond heeft behoefte aan:

– voldoende hoogwaardige eiwitten
– essentiële vetzuren
– vitaminen
– mineralen
– voldoende maar niet overdreven energie
– een goede lichaamsconditie
– voldoende beweging
– een voeding die compleet en passend is voor zijn levensfase

En vooral dat laatste wordt soms onderschat.

12. Overgewicht bij honden: misschien wel één van de meest onderschatte risicofactoren

Een hond die voortdurend iets extra’s krijgt, wordt niet gezonder omdat hij “verwend” wordt.

Extra calorieën kunnen leiden tot overgewicht.

En overgewicht beïnvloedt veel meer dan alleen het uiterlijk.

Het beïnvloedt onder andere de stofwisseling, gewrichten, mobiliteit en ontstekingsprocessen.

Daarom is een slanke, gespierde en goed gevoede hond een veel interessanter doel dan een hond die voortdurend allerlei “gezonde” extraatjes krijgt.

Een stukje brood, kaas, koekje of snack lijkt misschien onschuldig.

Maar bij een kleine hond kunnen dagelijkse extra’s relatief veel energie leveren.

13. En wat met supplementen?

Dit is misschien het belangrijkste punt van allemaal.

Orthomoleculair betekent niet:

“Hoe meer supplementen, hoe beter.”

Een werkelijk goede orthomoleculaire benadering begint juist bij het identificeren van wat het lichaam nodig heeft.

Eerst:

voeding → opname → stofwisseling → leefstijl → eventuele tekorten.

Daarna pas:

gerichte aanvulling wanneer daar een goede reden voor is.

De huidige kankerpreventierichtlijnen adviseren niet om supplementen te gebruiken om kanker te voorkomen.

Dat is een belangrijk onderscheid tussen gerichte suppletie bij een tekort of specifieke behoefte en willekeurig hoge doseringen antioxidanten of andere stoffen.

14. En bij een dier met kanker?

Daar wordt het nog belangrijker om niet zelf te gaan experimenteren.

Een dier met kanker kan andere voedingsbehoeften hebben dan een gezond dier. Eetlust, spiermassa, lichaamsgewicht, tumorsoort, medicatie en eventuele chemotherapie spelen allemaal mee.

Het doel is dan niet simpelweg:

“De tumor uithongeren.”

Het doel is het dier zo goed mogelijk ondersteunen, met behoud van spiermassa, voldoende voedingsstoffen en zo veel mogelijk levenskwaliteit.

Een individuele aanpak is dan belangrijker dan een universeel “antikankerdieet”.

Uiteindelijk gaat preventie over de omgeving van de cel

Misschien is dat wel de mooiste manier om naar orthomoleculaire voeding te kijken.

We eten niet alleen om onze maag te vullen.

Onze voeding levert de bouwstoffen en cofactoren waarmee ons lichaam dagelijks duizenden processen uitvoert.

We willen daarom een omgeving creëren waarin:

– cellen voldoende voedingsstoffen krijgen
– DNA-schade zo goed mogelijk wordt beperkt en hersteld
– antioxidatieve systemen kunnen functioneren
– de darm gezond wordt ondersteund
– de stofwisseling in balans blijft
– chronische overbelasting wordt beperkt
– spiermassa behouden blijft
– het lichaamsgewicht gezond blijft
– het immuunsysteem optimaal kan functioneren

Dat kunnen we niet perfect controleren.

En het betekent zeker niet dat iemand die gezond eet nooit kanker zal krijgen.

Maar we kunnen wél iedere dag keuzes maken die onze biologische veerkracht ondersteunen.

Voor onszelf.

En voor de dieren die van ons afhankelijk zijn.

Geen wondermiddel. Geen magisch superfood. Geen garantie.

Wel een voedingspatroon dat het lichaam zo veel mogelijk geeft van wat het nodig heeft.

Scroll naar boven